Rasstandaard

Vertaling van de rasstandaard van de Maltezer.

Afkomst:                 Centraal Middellandse Zee gebied
Beschermheer:     Italië
Gebruik:                  Gezelschapsdier en speelkameraad
FCI Classificatie: Groep 9. Gezelschapsdier en speelkameraad
Sectie 1:                   Bichons en verwante gefokte

Korte historische samenvatting

Zijn naam betekent niet dat hij oorspronkelijk van het eiland Malta komt, omdat het bijvoeglijk naamwoord “maltese” komt van het semitische woord “malat”, wat betekent; schuilplaats of haven.

Deze semitische oorsprong komt weer terug in een hele serie namen van kustplaatsen. Dat is in de naam van het Adriatische eiland Meleda, de Siciliaanse stad Melita en ook in die van het eiland Malta.

De voorouders van deze kleine hond leefden in havens en kustplaatsen van het Centrale Middellandse Zee gebied, waar zij jaagden op muizen en ratten, die zij vonden in de overvloedige pakhuizen en in de scheepsruimten.

In zijn lijst van honden, die bestond ten tijde van “Aristoteles”, maakt hij melding van een kleine rashond, aan welke hij de naam “Canes Melitenses” verbindt. De hond was bekend in het oude Rome: favoriete gezelschapsdier van de matrones en werd geprezen door “Straton”, de Latijnse dichter van de eerste eeuw na Christus. Afbeeldingen van de Maltezer door talrijke Renaissance schilders tonen in die periode deze kleine hond in de salons van die tijd aan de zijde van mooie dames.

Algemeen beeld:

Klein formaat, vrij lang lichaam. Bedekt met een zeer lange witte vacht, zeer elegant met een trotse en gedistingeerde houding van het hoofd.
Belangrijke verhoudingen: De lengte van het lichaam overschrijdt met ongeveer 38% de schofthoogte. De lengte van het hoofd is gelijk aan 6/11 van de schofthoogte.
Gedrag-temparament: Levendig, aanhankelijk, zeer volgzaam en zeer intelligent.
Hoofd: Z’n lengte is gelijk aan 6/11 van de schofthoogte. Het is tamelijk breed en overschrijdt lichtelijk de helft van de lengte.

Schedelgedeelte:

Schedel: De schedel is een beetje langer dan de voorsnuit; de breedte van de jukbeenbogen is gelijk aan de lengte en als gevolg hiervan groter dan de helft van de lengte van het hoofd. In de lengte-as richting is die een klein beetje eivormig. De bovenkant van de schedel is vlak met een achterhoofdsknobbel weinig ontwikkeld. De wenkbrauwbogen (ronding van de voorhoofdsbeenderen en de omringende randen) zijn goed ontwikkeld. De voorhoofdsgroef is zo summier dat die onzichtbaar is. De zijkanten van de wandbeenderen zijn ietwat rond.
Stop: De voorkant van de stop is sterk aangegeven en maakt een hoek van 90º.
Aangezichtsgedeelte:
Neus: In het verlengde van de neusrug, in profiel gezien, is de voorkant verticaal, omvangrijk met open neusgaten, die rond zijn en absoluut zwart.
Voorsnuit: De lengte van de voorsnuit bedraagt 4/11 van de hoofdlengte. Als gevolg hiervan iets kleiner dan de helft. De onderkant is goed gevormd (fijn besneden). De diepte is zeker 20% minder dan de lengte. De zijkanten van de voorsnuit lopen parallel, maar vanaf de voorzijde gezien moet de voorsnuit niet vierkant tonen omdat zijn aangezicht zijdelings is verbonden met bochten. De voorsnuit is rechtlijnig met een duidelijke gemarkeerde rimpel in het midden.
Lippen: Van voren gezien hebben de bovenlippen daar waar ze verbonden zijn de vorm van een open boog. Ze zijn weinig ontwikkeld in diepte en de vage voeg van de lippen is niet zichtbaar. De bovenlippen passen perfect bij de onderlippen, op zo’n een manier dat het onderste profiel van de voorsnuit begrenst wordt door de onderkaak. De randen van de lippen moeten absoluut zwart zijn.
Kaken: Normaal ontwikkeld en fijn gevormd en perfect sluitend. De onderkaak met het jukbeen die recht zijn, die geen van beide voor- of naar achteren uitstekend zijn in voorgaande gedeelten.
Tanden: De ronding van de tandbogen sluiten goed op elkaar aan, de snijtanden sluiten aan tussen de hoektanden in een duidelijk schaargebit. Tanden zijn wit; het gebit is goed ontwikkeld en compleet.
Ogen: Open, met levendige en oplettende expressie, groter dan je zou verwachten. De vorm neigt rond te zijn. De oogleden sluiten nauw aan op de oogbol, welke nooit diep liggen, veeleer gelijk met het hoofd. Net ietsje puilend. De ogen zijn bijna frontaal geplaatst. Ze staan goed in het voorhoofd. Van voren gezien mag de sclera ( het wit in de ogen) niet zichtbaar zijn. De kleur is donker okerkleurig, de oogranden zijn zwart.

Lichaam: De lengte van de punt van de schouder tot de punt van het zitbeen is 38% meer dan de schofthoogte.
Nek: Alhoewel bedekt met een overvloedige vacht, is de grens van de nek duidelijk merkbaar. De halsbelijning is gebogen. Z’n lengte is ongeveer de helft van de schofthoogte. De hals wordt rechtop gedragen en laat geen losse huid zien.
Toplijn: Recht tot de staartaanzet.
Schofthoogte: Komen iets boven de bovenbelijning uit.
Rug: De lengte is ongeveer 65% van de schofthoogte.
Kruis: Voortzetting van de rechte ruglijn in het verlengde van de lendenen, het kruis is erg breed en lang en z’n helling is 10º lager als de rugbelijning.
Borst: Is breed, in het aangezicht lager dan de hoogte van de elleboog.(De borstdiepte komt iets onder de ellebogen). Met ribben die niet erg uitspringen. De omvang van de borstkas is 2/3 meer dan de schofthoogte. Het borstbeen is erg lang.
Staart: De aanzet in lijn met het kruis, dik bij de staartwortel en fijn aan het uiteinde. De lengte komt overeen met 60% van de schofthoogte. De staart vormt een enkele grote boog, waarbij de punt de romp raakt tussen de heupen. Een naast de rug vallende staartpunt is toegestaan.

Ledenmaten.

Voorhand: In het geheel zit deze dicht tegen het lichaam, de benen staan recht en gelijk.
Schouders: De lengte vertegenwoordigd 1/3 van de schofthoogte en is hellend beneden het vlak. En is 60º tot 65º in relatie tot het middenvlak van het lichaam en is bijna verticaal.
Opperarm: Langer dan de schouder, gemeten 40 tot 45% van de schofthoogte, een helling van 70º beneden de horizontale lijn. Moet goed aansluitend zijn, waarvan 2/3 aan de bovenkant tegen het lichaam, in zijn lengterichting is het bijna parallel tot het middenvlak van het lichaam.
Ellebogen: Moeten parallel (evenwijdig) lopen tot het middenvlak.
Voorbeen: Onder het lichaam geplaatst met weinig duidelijk zichtbare spieren, botaanleg in de verhouding tot de gehele hond zwaar.
Middenvoet: In verticale lijn met het voorbeen, bewegend. Mag niet te knobbelig/benig zijn, rondom bedekt met lange fijne beharing.
Pols: Heeft dezelfde kenmerken als de handwortel en omdat zijn lengte kort is, is het verticaal.
Voorvoet: Rond, gesloten en goed gebogen tenen. Alle voetkussens moeten zwart zijn, de nagels zouden ook zwart moeten zijn of in ieder geval van een donkere kleur zijn.
Achterhand: Moet in zijn geheel van een stevig beenstructuur zijn, parallel van achter gezien, verticaal vanaf zitbeen tot de grond.
Dijbeen: Zwaar gespierd, de achterkant is rond/bol. Loopt parallel met het middelste punt van het lichaam, de neergaande en de voorwaartse richting is enigszins hellend in relatie tot het verticale. De lengte is bijna 40% van de schofthoogte en de breedte is een klein beetje minder dan zijn lengte.
Scheenbeen: De groef tussen de pees en het been is nauwelijks merkbaar. Is scheefhellend beneden het horizontale vlak van 55º en het is enigszins langer dan de dij.
Hiel-spronggewricht: De voorwaartse hoeking van de hiel is 140º
Hak: De afstand vanaf de grond tot het punt van de hiel is lichtelijk meer dan 1/3 van de schofthoogte. Zijn lengte correspondeert met de hoogte van de hiel. Het is perfect rechtopstaand.
Achtervoet: Net zo rond als de voorvoet, met dezelfde karakteristieke kenmerken.
Gangwerk: Gelijkmatig de grond afschuimend, vrij, met korte en erg snelle stapjes in draf.
Huid: De huid zit om alle lichaamsdelen strak, gepigmenteerd met donkere vlekjes en vlekjes van een rode wijnkleur, speciaal op de rug. De omranding van de oogleden, derde ooglid en lippen zijn zwart.

Vacht.

Haar: Dicht, glimmend, glanzend zwaar vallend van zijdeachtige samenstelling. Erg lang over het gehele lichaam en over de gehele lengte zonder sporen van golven of krullen. Op de romp zou het langer moeten zijn dan op de schoft en moet het recht naar beneden vallen tot op de grond, als een cape die strak om de romp zit. Zonder openingen in de vorm van bosjes, vlokken en pluis. Bosjes, vlokken en pluis zijn acceptabel aan de voorkant, van de elleboog tot de voet en aan de achterhand van de knie tot de voet. Er is geen ondervacht. Op het hoofd is het haar erg lang, net zo als op de voorsnuit, ook aan het voorgezicht waar het zich vermengd met de baard, zo ook op de schedel, waar het zich vermengd met de beharing die de oren bedekken. Het haar van de staart valt naar één kant van het lichaam, zodat het op de flank en op de dij z’n lengte bereikt tot aan de hak.
Kleur: Puur wit en een bleke ivoor tint is toegestaan. Aftekeningen/sporen van licht of bleek oranje schakeringen worden getolereerd, maar zijn niet wenselijk en vormen een onvolmaaktheid.

Maat en gewicht:

Schofthoogte: Reuen van 21 tot 25 cm. Teven van 20 tot 23 cm.
Gewicht: 3 tot 4 kilo.

Fouten.
Iedere afwijking van de voorafgaande punten moeten beschouwd worden als een fout die bestraft dient te worden naar gelang de omvang en de ernst.
Het tweezijdig scheel zien.
Als de lichaamslengte meer is dan 43% van de schofthoogte.

Serieuze fouten .
Rams neus.
Een uitgesproken ondervoorbijt, als deze het uiterlijk van de voorsnuit bederft.
De maat van de reuen hoger is dan 26 cm. of lager dan 19 cm.
De maat van de teven hoger is dan 25 cm. of lager dan 18 cm.

Diskwalificerende fouten.
Als er duidelijk een afwijking zichtbaar is van de schedelvorm.
Totaal ongepigmenteerde neus of een andere kleur neus dan zwart.
Bovenvoorbijter.
Glasoog (blauw oog).
Totaal ongepigmenteerde oogleden.
Staartloosheid, ingekorte staart welke aangeboren of gecoupeerd.
Krullend/kroes vacht.
Alle kleuren anders dan wit, met uitzondering van bleek ivoorkleurig.
Gedeelten met verschillende kleuren van welke omvang dan ook.
N.B. Reuen moeten twee volledig ingedaalde, duidelijke normale testikels in het scrotum hebben.

Comments are closed.